Oorsprong van de kalverhouderij

Nederland was vroeger een agrarische samenleving. De Nederlandse boer zorgde onder andere voor aardappelen, uien, groente, fruit, zuivelproducten, eieren en vlees. Na de Tweede Wereldoorlog  – een periode van honger –  nam de vraag naar voedingsmiddelen sterk toe. De bevolking groeide. De Nederlandse boer paste zijn productie daarop aan en werd daarbij gestimuleerd door de Nederlandse overheid en de Europese Economische Gemeenschap. De groei van de productie en de consumptie van agrarische producten had een geweldig positief effect op de economie van de Europese landen.

In Nederland groeide vooral de melkveehouderij. De weilanden en het klimaat zijn daarvoor uitermate geschikt. Het aantal runderen nam toe, evenals de zuivelproductie en het aanbod van rundvlees. Door de zuivelproductie ontstond een nieuwe sector.

De Nederlandse agrarische sector bedacht de oplossing voor de kalveren waar de melkveehouder geen plaats voor had en de wei en magere melkpoeder die vrijkwamen uit de melkveehouderij. De wei- en magere melkpoeder werden verwerkt tot hoogwaardig voeder, de zogenaamde kalvermelk. Het werd de voeding voor de kalveren in de Nederlandse kalverhouderij.

Het ontstaan van kalfsvlees vindt dus zijn historie in de ontwikkeling die de zuivelindustrie doormaakte. In professionele vorm bestaat de vleeskalversector pas vanaf begin zestiger jaren.